HARP EN LIERGEZANGEN ONZER NAAMGENOTEN  (eerste deel)

(Familieblad No. 20 – okt 1979, blz. 537 - 542, deel I, vervolg)

 

“DE GARDES D’HONNEURS” -  EEN BREEDBOERIG GEDICHT UIT 1815 DOOR DIRK HENDRIK TEN KATE VAN LOO (1792-1828).

 

Na de smadelijke terugtocht over de Rijn komen onze Gardes d’Honneur in de laatste maanden van 1813, in de gevangenis van Langres en Metz terecht, aangezien Napoleon hen nu echt als gijzelaars wil gebruiken in zijn onderhandelingen met zijn overwinnaars. Daar gaan ze echter achter slot en grendel te samen met allerlei dieven en verder geboefte.

 

“Wat droevig treurtoneel, mijn dierb’re landgenoten,

wordt U thans door mijn lier voor ‘t wenend oog ontsloten”,

 

zijn dan ook de beginregels van de derde zang, getiteld:

 

“De Gevangenis”:

 

“Neerlands eed’le jeugd, gefoldert door ellenden,

wordt zonder hulp en troost, door ‘s wreedaards gruwelbenden

meedoog’loos, ondverdiend, onmenslijk voortgezweept,

hun oorlogsdienst ten loon, naar ‘t kerkerhol gesleept.”

 

Het leed is echter spoedig geleden want in februari 1814 keert Dirk Hendrik ten Kate weerom naar zijn bevrijde  vaderland:

 

“Hoe telde ik elke  stap die mij naar Holland bracht!

Hoe lang viel me de tijd; hoe eind’loos elke nacht.

Hoe blijde trad mijn voet het eerst op Neerland’s gronden.

Hoe werd mijn kloppend hart door nieuwe vreugd verslonden,

toen ik in de eigen taal het vriend’lijk ‘goeden dag’

vernam en ‘s lands kleedij, gewoont’ en leefwijs zag.”

 

Iedere moede krijger wordt weer opgenomen in de vertrouwde kring van zijn familie en alles wordt weer goed:

 

“Ik hoor een dierb’re zoon aan zijn geliefde magen

verhalen van ‘t verdriet, dat hij zo lang moest dragen.

Zij sidd’ren bij ‘t verslag en gruwen van zo’n lot,

boosaardig uitgedacht door ‘t eerloos beulenrot.

Wat verder ziet mijn oog een trouwe minnaresse:

haar liev’ling, in den arm van zijne zielsvoogdesse

gestrengeld, denkt niet maar aan ‘t droeve scheidingsuur,

maar baadt zich in ‘t genot van liefde en van natuur,

en wandelt aan haar zij, langs koele waterstromen,

beschaduwd door het loof van hoge lindebomen.

Vervuld van vuur’ge min kent hij geen onspoed meer

en voelt de waarde van zijn aanzien van weleer.”

 

In goed vaderlandse geest zingt hij daarop tot slot de lof der te verwachten wederkerende welvaart , (per saldo stamt hij niet voor niets uit een oude koopmansfamilie):

 

“De koopman, door den krijg verarmd aan geld en goed,

ontvangt uit Oost en West een nieuwen overvloed.

Zijn handel en zijn hoop ziet hij gelijk herleven

om aan zijn nijverheid een dubb’le winst te geven.

De zeeman, voor den wind gestuwd naar onze ree,

brengt  milden overvloed en rijke zegen me.

Gij hoort nu met vermaak de blijde schepelingen

Bij ‘t loeven langs het strand ons lief Wilhelmus zingen.

. . . . . .

Geen bloeddorst eens tirans, geen eerloos dwingeland

Verstoort meer Uwen rust in ‘t vrije Vaderland!”

 

Wat is het na ál dat moois dan jammer en teleurstellend om de dichter dan later in Van der Aa’s “Woordenboek  van Ned. Dichters” (Amsterdam, 1864, pgs. 307-f) zo af  te zien gaan:

“D. ten Kate van Loo, hoewel geenszins op een lijn gesteld kunnende worden met de meeste zijner als dichters beroemde tijdgenoten, maakte evenwel een vrij vloeiend vers. In het jaar 1815 zond hij een tamelijk uitvoerig dichtstuk in het licht te

‘s-Gravenhage, de Garde d’Honneur, dat bovenal zijn toenmalig succes aan het daarin bezongen onderwerp te danken had. Er wordt immers wat erg veel gescholden op hem die toen geen kwaad meer doen kon. Het gedicht vloeit over van gemeenplaatsen en herhalingen. Treffende episodes, die het onderwerp genoeg had kunnen opleveren,  ontbreken bijna geheel.”

 

Dirk Hendrik’s dichtader bleef na deze jonge eersteling in 1815 nog lang doorvloeien. In juni van het zelfde jaar zag een “Lofzang aan de vrijwillige verdedigers van het vaderland” in ‘s- Gravenhage het licht (Knuttel nr. 24.015), acht pagina’s groot. In 1818 een “Uitboezeming bij de oprichting der Maatschappij  van Weldadigheid”

 (Knuttel 24.707), ook 8 bladzijden en in datzelfde jaar ook een “Dichtbundel” van niet geringe omvang, waarin (onder véél meer!) een gedicht voorkomt met als titel .

“Aan mijn doofstom geboren broeder, verwekt in het tweede huwelijk mijner moeder, bij deszelfs vertrek naar het Instituut van den hooggeachten heer Guiot te Groningen” (op pag. 105-f). In deze bundel laat hij voor de tweede keer de “Vaderlandse Romance” afdrukken, welke hij blijkbaar zélf erg mooi vond. In het Voorbericht geeft hij daarover nog als toelichting dat hij deze eertijds in Jouy-aux-Arches in een ogenblik van rust en aldaar in mijn droeve eenzaamheid wandelende met behulp van een toevallig gevonden potloodje op een verloren stukje papier ter neder stelde…”

Een jaar later, in 1819 verschijnt dan een “Rouwklacht bij het overlijden van Frederika Louisa Wilhelmina” de zuster van koning Willem I (Knuttel 24.827), in 1820 gevolgd door weer een “Lijkzang bij het overlijden van Frederika Sophia Wilhelmina” prinsesse-douarière van Oranje-Nassau, die in de pamflettenverzameling van Knuttel het nr. 24930 draagt.

Daarbij verschijnt van hem in dat zelfde jaar in Amsterdam een “vaderlandsch treurspel in verzen” getiteld: “De dood van Jan van Schaffelaar”. Misschien hoopte hij hiermee een soort Nederlandse Schiller te worden, maar volgens Van der Aa’s Woordenboek van Ned. dichters vond het drama, “hoewel het enige goede brokken bevat, als treurspel geen bijval”.

Toch schijnt het hier en daar in ons land nog opgevoerd te zijn. Het is aanwezig in de Kon. Bibl. te ‘s-Hage en ook in de U.B. van Amsterdam voor diegenen onder onze lezers, die deze onvoorstelbaar langdradige en opgezwollen rijmvloeden vol stereotypen zouden willen doorworstelen.

Nog in het zelfde jaar vertrekt hij met zijn gezin naar de Oost, want hij krijgt daar dan een betrekking als adjunct-griffier bij de Raad van Justitie in Batavia aangeboden.

Wanneer een van onze Haagse lezers zich eens de moeite zou kunnen getroosten in het Kon. Huisarchief te duiken, zouden daar stellig wel aanwijzingen te vinden zijn over de wijze waarop deze benoeming tot stand kwam. Dichters zijn in het algemeen nooit van die bijzonder sociabele figuren geweest en er zal zonder twijfel wel een enkel klein ruggesteuntje aan te pas gekomen zijn om hem aan dat baantje in Indië te helpen. Erg onmisbaar was hij daar overigens niet, want in 1826 wordt hij daar wegens bezuinigingen weer ontslagen. Hij krijgt dan met zijn gezin onderdak in een woning op de buitenplaats “Kampong Baroe” bij Buitenzorg, bezit van een heer C. Swalue. Daar heeft hij dan voldoende tijd tot zijn beschikking  om een tweede treurspel in verzen te schrijven over een vaderlands thema: “Petronella van Saxen, gravinne van Holland” en dit wordt dan in 1827 gedrukt op de Landsdrukkerij in Batavia, goud op snee in een rode leren band. De Kon. Bibliotheek bezit er een exemplaar van. Het is weer van het zelfde laken een pak als in het eerste drama: er is geen doorkomen aan!

Uit het voorbericht van deze uitgave blijkt dat deze “Dood van Jan van Schaffelaar” ook een keer in Batavia opgevoerd werd, waarbij hij zélf de hoofdrol voor zijn rekening nam. Ook is uit dat zelfde voorbericht op te maken dat hij meer kinderen gehad moet hebben dan het ene, dat op pag. 390 van ons blad genoemd is. Hij klaagt n.l. ook over de moeilijke omstandigheden waaronder hij de inspiratie voor de nieuwe verzen moest ontvangen: hij was constant omringd door vijf luidruchtig spelende kinderen bij zijn werk. Er verschijnt na dit boek niets meer van hem in druk. Waarschijnlijk was toen zijn gezondheid al danig door het wurgende tropenklimaat aangetast, want einde mei van het volgende jaar wordt onze dichter het slachtoffer der gordel van smaragd: hij sterft vroegtijdig in de leeftijd van 36 jaren.

Zijn graf wordt niet genoemd bij Bloys van Treslong Prins “Genaeal. en Herald. gedenkwaardigheden betr. Europeanen uit Java”, maar wel konden d.m.v. de Almanakken voor Ned. Indië en de Bevolkingsregisters van ‘s-Gravenhage voor een groot deel de lotgevallen van zijn weduwe en kinderen nagespoord worden. Ze vertrok namelijk na de dood van haar man meteen terug naar Holland en werd in Den Haag door haar zuster en zwager (de broer van haar man) met haar kroost in hun huis op het Westeinde 218 opgenomen. Later verhuisde zij met de kinderen naar Wagenstraat 6, waar haar vader tot zijn dood nog bij haar inwoonde en ze stierf op Spui 150, in een huis met drie oudere dames.

De volgende gegevens konden over haar gezin nog in ‘s-Hage achterhaald worden als aanvulling op de data van nr. 199 op pag. 389:

 

119. Dirk Hendrik Jan ten Kate van Loo, zoon van (95), geb. Amsterdam 10 nov. 1792; overl. Batavia 31 mei 1828. geh. Amsterdam 8 juni 1813 met Johanna Maria Agneta de Witte van Haemstede, d.v. Jacob Eduard de W.v.H. en Maria van Zuylekom, geb. Zalt-Bommel 2 okt. 1790; overl. ‘ s- Hage 7 jan. 1869.

Hij was adjunct-griffier der Raad van Justitie te Batavia en dichter, o.a. van het epos Gardes d’ Honneur en twee treurspelen.

 

Uit dit huwelijk 5 k.k.:

 

A.     Louisa Maria Margaretha, geb. ‘s-Hage (of Amsterdam?) 15 jan. 1817; overl. ‘s -Hage 18 sept. 1888. geh. ’s-Hage 26 mei 1847 met Nicolaas Bosboom, geb. ’s-Hage….; overl. ‘s-Hage 12 nov. 1862, rijksambtenaar (en broer van de bekende kunstschilder Johannes B).

 

B.     Herman Eduard Jean, geb. ‘s-Hage 10 mei 1819; hij was “zeevarende” in 1840 en 1849 en stond in deze jaren als “bij zijn moeder wonende” ingeschreven. Verdere gegevens over hem ontbreken.

 

C.    Eduard Constant Marinus Lodewijk, geb. Batavia in 1821. Woont in 1840 als apothekersbediende nog bij zijn moeder in, maar in 1849 niet meer. Verdere gegevens ontbreken.

 

D.    Henriette Johanna Maria, geb. Batavia 7 juli 1822; overl. ‘s-Hage 10 jan. 1899. Zij woonde bij haar moeder en bleef ongehuwd.

 

E.     Dirk Hendrik Johan, geb. Batavia in 1826; voor 1830 (vermoedelijk in Indië) overleden.

 

Eigenlijk weten we van onze dichter maar bitter weinig af, zoals dat overigens meer gaat bij het via kerkregisters en burg. stand opgespoord voorgeslacht. Ondanks het vele door hem nagelaten dichtwerk komen we daarin niets over hemzelf te weten, omdat hij zich in die verzen alleen maar in voor zijn periode geijkte stereotypen uitdrukt. Alleen uit twee nog niet geciteerde producten van zijn hand, een bundeltje  “Vrijmetzelaars gezangen voor de loge ‘Eendragt maakt magt’ in Den Haag” uit 1817,  naast een “Bemoediging aan de op de oppervlakte van de aarde verspreide B.B. vrije metselaren, uitgesproken in de loge ‘La fidèle sincrérité’, werkende in het O. van Batavia” uit 1822 kan opgemaakt worden dat onze dichter ook een fervent vrijmetselaar was.

Mocht soms dit dichtwerk van Dirk Hendrik ten Kate van Loo een lezer teleurgesteld hebben in zijn (of haar) culturele verwachtingen omtrent onze familie of naamgenoten: men zij gerust, want een ganse schaar van dichters en dichteressen met onze naam (zowel met een C als een K) zal in de naaste toekomst dit dichterspodium betreden om, zij het postuum, naar uw gunst te dingen. Wij hebben ze in vele soorten!

 

(wordt vervolgd)

 

NB. Dirk Hendrik ten Kate van Loo behoort tot de Amsterdamse tak van de (van oorsprong doopsgezinde) familie Ten C(K)ate uit Borne ( zie; tak Amsterdam prsnr.167)